| ADHD
Is het probleem bedacht om de oplossing te kunnen verkopen?
Zelden eist
een – niet besmettelijke – aandoening in korte tijd zoveel
slachtoffers als Attention Deficit Hyperactivity Disorder (ADHD). In de
Verenigde Staten is bij één op de zeven schoolgaande kinderen
de diagnose van ADHD gesteld. Ook steeds meer Europese kinderen blijken
aan het hyperactiviteitsyndroom te lijden. Wat dit precies inhoudt, is
echter niet duidelijk. Terwijl ADHD onderwerp is van hooglopend wetenschappelijk
debat, verkoopt de farmaceutische industrie met succes ‘de oplossing’
voor het probleem: Ritalin.
Nadat de
term ADHD vanuit de Verenigde Staten naar Europa is komen overwaaien,
wordt ook hier steeds vaker bij kinderen in de leeftijd tot zestien jaar
de diagnose van een aandacht- en hyperactiviteitstoornis gesteld. Hoewel
ADHD als een moderne ziekte wordt beschouwd, zijn bepaalde kenmerken van
deze stoornis, zoals concentratieproblemen, antisociaal gedrag, agitatie,
hyperactiviteit, van alle tijden.
Wat ADHD
ook precies mag inhouden, over de oplossing voor specifieke gedragsproblemen
lijkt de medische professie het al jaren eens. Sinds de jaren zestig hebben
artsen aan duizenden kinderen het psychestimulerende middel Ritalin voorgeschreven.
Het is generisch bekend als methylphenidate hydrochloride (MPH), een amfetamineachtig,
verslavend medicijn met kenmerken die lijken op de biochemische eigenschappen
van cocaïne. In de Verenigde Staten gebruikt naar schatting één
op de zeven schoolgaande kinderen Ritalin.
De snelle stijging van het aantal patiënten lijkt precies te verlopen
volgens het scenario waar vele farmaceutische bedrijven van dromen. Sinds
eind 1999 heeft de belangrijkste producent van MPH, het Amerikaanse bedrijf
Novartis – voorheen Ciba Geigy and Sandoz – niet meer het
alleenrecht op de verwerking van deze synthetische bestanddelen (tot Ritalin)
en is het andere bedrijven toegestaan om hun eigen merken te lanceren,
zoals Equasym van Medeva. Bedrijven als Mallinckrodt, Schein Pharmaceuticals
en MD Pharma zijn momenteel bezig met de voorbereiding van nieuwe producten.
De
verkoop van Ritalin
In de Verenigde Staten, waar Ritalin voor het eerst in 1955 is gebruikt,
doen Novartis en andere farmaceutische bedrijven die vergelijkbare medicijnen
voor kinderen produceren zoals dextroamfetamine en metamfetamine, er alles
aan om een grote markt voor hun producten te creëren. Tot nu toe
zijn zij erg succesvol gebleken in het overtuigen van psychiaters en andere
autoriteiten op het gebied van gezondheid van de voordelen van deze medicijnen,
ondanks wetenschappelijk aantoonbare risico’s en contra-indicaties.
Er is geen licentie verleend voor het gebruik van MPH door kinderen in
de leeftijd tot zes jaar – hoewel dit middel in de praktijk zelfs
aan kinderen van drie jaar wordt gegeven. MPH is evenmin toegestaan voor
kinderen die last hebben van angst, agitatie en spanning, die een tic
of het syndroom van Tourette hebben, of bij wie deze aandoeningen in de
familie voorkomen. Ook kinderen met een te snel werkende schildklier,
ernstige angina of hartritmestoornissen, staar of thyrotoxicosis –
een overmaat aan schildklierhormonen – zouden het middel niet mogen
gebruiken. Ten slotte is voorzichtigheid geboden bij het voorschrijven
van MPH aan kinderen en jonge mensen met epilepsie of psychotische stoornissen,
of een geschiedenis van afhankelijkheid van medicijnen of drugs.
Voorstanders van MPH beweren dat het middel werkt door het corrigeren
van een ‘stoornis in de hersenen’, ‘biochemische onevenwichtigheid’
of ‘biologische disfunctie’. Tot op heden hebben zij echter
geen overtuigend wetenschappelijk bewijs kunnen overleggen dat het voorschrijven
van MPH rechtvaardigt.(5)
In november 1998 hebben de Amerikaanse National Institutes of Health een
consensus development conference over de diagnose en behandeling van ADHD
gehouden. De 31 experts die zitting hadden in een panel – onder
wie psychiater dr. Peter Breggin, een van de meest uitgesproken Amerikaanse
critici van MPH – merkten op dat er geen waardevolle, betrouwbare
of onafhankelijke test is voor het vaststellen van ADHD en dat er ‘geen
gegevens zijn die erop wijzen dat ADHD het gevolg is van een het slecht
functioneren van de hersenen’ of dat ADHD een ziekte of aandoening
van de hersenen zou kunnen zijn.(6)
Voorstanders van Ritalin schermen echter met een grootschalige studie
naar meerdere behandelmethoden van ADHD – de MTA Study – die
is gesponsord door het National Institute of Mental Health en uitgevoerd
op zes afzonderlijke plaatsen.(7) Volgens de Ritalinlobby zijn de resultaten
bewijs voor de superioriteit van behandeling met stimulerende middelen,
zoals Ritalin, boven gedragstherapeutische en andere behandelmethoden.
Tot de bestudeerde methoden behoorden evenwel geen voedingstherapieën.
Dr. Breggin van de John Hopkins University Education Faculty en auteur
van Talking Back to Ritalin(8) heeft een vernietigend rapport over de
MTA Study geschreven. Hij haalde zestien punten aan, die de geloofwaardigheid
en uitkomsten van deze studie ernstig ondermijnen. Zijn belangrijkste
punt van kritiek is, dat er geen sprake was van een placebogecontroleerde,
dubbelblinde studie. Bovendien werden er geen verschillen vastgesteld
tussen de vier behandelgroepen. Er was geen controlegroep van onbehandelde
kinderen. De kinderen gaven zelf niet aan dat er sprake was van verbetering.
En van de 4541 gescreende kinderen die deelnamen aan onderzoek naar het
gebruik van medicatie hield slechts 2,7 procent (123 kinderen) dit toe
het einde toe vol.
Onderbouwde kritiek op de MTA Study is van groot belang, omdat tal van
wetenschappers in Europa geneigd zijn om de resultaten zonder meer te
accepteren. Zo maakte het Britse National Institute for Clinical Excellence
(NICE) in oktober vorig jaar bekend dat deze organisatie zich toelegt
op voorlichting over het gebruik van MPH(9), terwijl woordvoerders naar
de MTA Study verwijzen als een ‘gedegen uitgevoerd onderzoek’.
In essentie steunt NICE het gebruik van MPH, hoewel wordt erkend, dat
‘het medicijngebruik zou moeten worden beëindigd, als er niet
binnen een maand verbetering van symptomen wordt geobserveerd.’
In het NICE-rapport wordt niet vermeld, dat ongeveer dertig procent van
de kinderen geen response op de medicatie vertoont en dat wel vijftig
procent last heeft van bijwerkingen van de gebruikte medicijnen. Professor
Baldwin stelt: ‘Bijwerkingen van MPH en ongewenste reacties op dit
medicijn zijn onder meer: aantasting van het centrale zenuwstelsel, maag
en darmen, cardiovasculaire effecten, verstoring van de leverfunctie,
stuiptrekkingen, afhankelijkheid van medicijnen en medicijnverslaving,
ontwenningsverschijnselen, haaruitval, vermindering van het aantal witte
bloedcellen, agitatie, vijandig gedrag, depressie, abnormaal denken, hallucinaties,
psychosen, emotionele labiliteit, overdosis en zelfmoord.(10)
Ook schrijft hij: ‘Paradoxaal is dat er geen sprake is van de veronderstelde
gunstige effecten van MPH op gedragsproblemen, zoals passiviteit, beperkte
aandacht en verminderde spontaniteit, maar dat deze problemen juist door
de toxische effecten van psychestimulerende middelen worden veroorzaakt.’
Feitelijk heeft MPH tal van ernstige bijwerkingen, hoewel in het NICE-rapport
alleen zenuwachtigheid en slapeloosheid als veel voorkomende neveneffecten
worden genoemd, en beweerd wordt dat de andere gerapporteerde effecten
relatief ‘van minder belang’ waren.
Al is de Amerikaanse en Britse psychiatrische gemeenschap het erover eens
dat deze controversiële stoornis geneeskundig moet worden behandeld,
er zijn aanwijzingen dat het debat een keerpunt heeft bereikt. Recent
zijn in de Verenigde Staten verschillende legale acties gelanceerd tegen
niet alleen Novartis, maar ook de American Psychiatric Association voor
vermeende fraude en corruptie en zijn er vergelijkbare acties in Engeland.
Met de problemen met MPH kwamen ook steeds meer veelbelovende behandelmethoden,
waarbij geen gebruik wordt gemaakt van medicijnen. Zo kan bijvoorbeeld
het veronderstelde nut van voedingskundige therapieën en behandeling
van vergiftiging door zware metalen met steeds meer wetenschappelijk bewijs
worden gestaafd.
Voedingskundige
benaderingen
Twintig jaar geleden opperden Sally Bunday en haar moeder, wijlen Irene
Colquhoun, oprichters van de Britse Hyperactive Children’s Support
Group (HACSG) als eersten dat een tekort aan essentiële vetzuren
een rol zou kunnen spelen bij de ontwikkeling van ADHD.(11) Nadat zij
gedurende langere tijd een groep hyperactieve kinderen hadden gevolgd,
constateerden zij, dat de diagnose van ADHD vaker bij jongens dan bij
meisjes wordt gesteld. Tevens ontdekten zij een verband met astma, eczeem
en andere allergische reacties, terwijl uit analyse van haar van de kinderen
een tekort aan zink bleek. Bepaalde klinische tekenen, zoals extreme dorst,
frequent urineren, droge huid en droog haar, komen overeen met symptomen
van een tekort aan essentiële vetzuren.
In de Verenigde Staten heeft wijlen dr. Benjamin Feingold(12) een speciaal
dieet voor kinderen ontwikkeld. Hij vindt dat kinderen met ADHD bepaalde
kunstmatige toevoegingen en specifieke voedingsproducten, met name vruchten,
dienen te vermijden. De natuurlijke salicylzuren in deze producten zouden
de conversie van meervoudig onverzadigde vetzuren van het lange keten
type in prostaglandines kunnen belemmeren. Nadat patiëntjes baat
bleken te hebben bij het dieet van dr. Feingold, werden in de Verenigde
Staten tal van organisaties opgericht die deze methode voorstaan en het
werk van de arts actief promoten. Ook in Europa zijn er artsen die het
dieet van dr. Feingold voorschrijven aan kinderen met ADHD.
Essentiële
vetzuren
Aansluitend op het baanbrekende werk van dr. Bunday levert onderzoek steeds
meer bewijzen op voor de belangrijke rol van essentiële vetzuren.
Een beperkte lichaamsreserve of een te lage productie van deze vetzuren
kan in belangrijke mate bijdragen tot een verscheidenheid aan samenhangende
stoornissen bij kinderen, zoals ADHD, dyslexie, astma, allergieën
en zelfs autisme. In een aantal gevallen kan het gebruik van supplementen
van vetzuren waardevol zijn.(13) Klinische kenmerken van ADHD en, bijvoorbeeld,
dyslexie overlappen elkaar voor ongeveer dertig tot vijftig procent.
Vetzuren spelen een essentiële rol bij de vorming van hersenstructuren
en zijn van groot belang voor het functioneren van de hersenen. Twee van
deze vetzuren – arachidezuur en docosahexanoïdezuur (DHA) –
zijn bepalend voor het functioneren van de hersenen en de ogen. Ze maken
twintig procent van het droge gewicht van de hersenen uit en meer dan
dertig procent van de retina. Twee andere – eicosapentaenoïdezuur
(EPA) en dihomogammalinolzuur (DGLA) – zijn cruciaal voor de normale
ontwikkeling van de hersenen, maar spelen een minder grote structurele
rol.
De absoluut essentiële vetzuren die het lichaam niet kan omzetten
en die om deze reden uit voeding moeten worden gehaald zijn linozuur (omega-6
series, waartoe arachidezuur en DGLA behoren) en alpha-linolzuur (omega-3
series, waartoe EPA en DHA behoren). Zowel arachidezuur als DHA zijn meervoudig
onverzadigde vetzuren. De voorlopers van essentiële vetzuren kunnen
deze vetzuren doorgaans omzetten. Die zijn cruciaal, het zijn voorlopers
van een complexe groep van biologisch zeer actieve bestanddelen, inclusief
prostanoïden (prostaglandines, thromboxanes en prostacyclins, onder
andere) en leukotrienen. Deze bestanddelen hebben tal van regulerende
functies in de hersenen en de rest van het lichaam.
Dr. A. Richardson(14) en B.K. Puri stellen in het commentaar bij een samenvatting
van onderzoeksgegevens(15): ‘De stofwisseling van essentiële
vetzuren kan van invloed zijn op vele aspecten van de ontwikkeling van
de hersenen, inclusief neuro-migratie, axon en dendriet en de creatie,
het vervormen en snoeien van synaps verbindingen.(16) Dierproeven hebben
uitgewezen, dat zowel de neurale integriteit als het functioneren van
de zenuwen permanent kan worden verstoord door tekorten aan omega-6 en
omega-3 vetzuren bij het ongeboren kind, waardoor de neonatale ontwikkeling
wordt belast.(17) Terwijl voor de ontwikkeling van het kind zowel omega-6
als omega-3 vetzuren nodig zijn, lijken omega-3 vetzuren, zoals DHA, een
speciale rol te spelen in actieve gebieden, zoals synaps en lichtreceptoren.
Tekorten aan omega-3 vetzuren lijken in belangrijke mate verband te houden
met visuele en cognitieve beperkingen.(18)
Onderzoek door dr. M. Makrides en zijn team heeft uitgewezen, dat baby’s
aanmerkelijk voordeel kunnen hebben bij de meervoudig onverzadigde vetzuren
die van nature in moedermelk voorkomen, maar vaak in flesvoeding ontbreken.(19)
Hoewel het van groot belang is om zowel tijdens de groei als op volwassen
leeftijd over voorraden van essentiële vetzuren te kunnen beschikken,
is met name de conversie van linolzuur en alpha linolzuur in hun derivaten
van meervoudig onverzadigde vetzuren bepalend voor het functioneren van
de hersenen. Helaas zijn er echter enkele factoren die deze conversie
kunnen belemmeren, zoals:
• Verzadigde of gehydrogeneerde vetten
• Tekorten aan vitaminen en/of mineralen (met name zink)
• Teveel alcohol
• Stresshormonen
• Diabetes, eczeem, astma of andere allergische aandoeningen
Bijgevolg kan er, zelfs als de voeding voldoende vetzuren bevat, sprake
zijn van een inadequate niveaus van meervoudig onverzadigde vetzuren als
gevolg van een beperkte conversie. Bovendien verschillen mensen, wat betreft
genetisch en constitutioneel vermogen, om deze conversie te vergemakkelijken.
Alle bovengenoemde factoren, evenals factoren die tot ziekte bijdragen,
getuigen van het nut dat het gebruik van supplementen van meervoudig onverzadigde
vetzuren kan hebben.
Kenmerken
van tekorten aan essentiële vetzuren
Het is algemeen bekend, dat er meer jongens dan meisjes met ADHD zijn.
Gesproken wordt van een verhouding van twee op één en sommige
onderzoekers menen zelfs dat er voor elk meisje met ADHD tien jongens
met de aandoening zijn.(20) Dit snijdt hout als ADHD in de eerste plaats
wordt veroorzaakt door tekorten aan essentiële vetzuren, aangezien
mannen kwetsbaarder zijn dan vrouwen als het om een tekort aan meervoudig
onverzadigde vetzuren gaat.(21) Van grotere percentages mannen is ook
sprake bij andere ontwikkelingsstoornissen die klinisch verband houden
met ADHD, zoals dyslexie en dyspraxie (stoornis in bewegingscoördinatie).(22)
Tal van minder
ernstige fysieke afwijkingen, zoals abnormaal geplooide handen, worden
in verband gebracht met ADHD.(23) Bij de celafwijkingen die hieraan waarschijnlijk
ten grondslag liggen, spelen essentiële vetzuren, fosfolipiden en
hun metabolieten belangrijke rollen.(24) Hyperactieve kinderen hebben
over het algemeen ook meer chronische gezondheidsproblemen, zoals astma
en allergieën, dan kinderen die geen ADHD hebben.(25)
Kinderen met ADHD blijken vaker slaapproblemen te hebben dan normale kinderen.
Ze komen met moeite tot rust, ze worden’s nachts wakker en zijn
’s ochtends oververmoeid.(26) Meervoudig onverzadigde vetzuren spelen
een belangrijke rol bij de controle van slaapmechanismen, aangezien ze
een directe invloed uitoefenen op de structuur van neuron membranen en
indirect van invloed zijn op de dynamiek van complexe lipiden, prostaglandines,
neurotransmitters, aminozuren en door witte bloedlichaampjes geproduceerde
actieve stoffen, die nodig zijn voor de initiatie en het verloop van normale
slaap.(27)
ADHD kinderen
hebben over het algemeen meer fysieke klachten dan normaal gezonde kinderen.
Zo zijn zij meer ontvankelijk voor infecties, hebben vaker maagpijn, hoofdpijn,
of voelen zich over het algemeen niet lekker, zonder duidelijk aanwijsbare
reden. Uit een onderzoek naar kinderen met ADHD is gebleken, dat 24 procent
van de jongens en 35 procent van de meisjes in de leeftijd van twaalf
tot zestien jaar voldeden aan de criteria voor somatisatiestoornissen,
die worden gekenmerkt door grote verscheidenheid aan lichamelijke klachten.(28)
Omdat essentiële vetzuren en hun derivaten een kritieke rol spelen
bij de regulering van bepaalde aspecten van het immuunsysteem en de spijsvertering(29),
kan een tekort aan deze vetzuren bijdragen tot algemene gezondheidsproblemen,
zoals ontvankelijkheid voor infecties, spijsverteringsstoornissen en aanverwante
aandoeningen.
Symptomen van depressie, angst en een beperkt gevoel van eigenwaarde zijn
typerend voor ADHD, een aandoening die verband houdt met andere gedrags-
en emotionele stoornissen. Ongeveer 44 procent van de patiënten heeft
ten minste een andere psychische afwijking.(30)
Steeds meer onderzoeksresultaten tonen aan, dat een tekort aan omega-3
vetzuren belangrijk zou kunnen zijn bij depressie. (31) Een recente dubbelblinde,
placebogecontroleerde studie heeft uitgewezen, dat omega-3 vetzuren een
gunstige uitwerking hebben bij kortstondige verslechtering van een bipolaire
stoornis.(32)
Kinderen met ADHD hebben vaak een slechte motorische coördinatie,
evenals minder ernstige neurologische afwijkingen, zoals zenuwtrekken
en bruuske bewegingen.(33) Bij de totale bevolking worden bewegingsstoornissen
in verband gebracht met tekorten aan meervoudig onverzadigde vetzuren.(34)
Een slechte motorische coördinatie stemt ook overeen met tekorten
aan vetzuren.
De geobserveerde overlap van ADHD met dyslexie lijkt groter als er sprake
is van een aandachtsstoornis zonder duidelijke hyperactiviteit, in plaats
van een voornamelijk hyperkinetische vorm van ADHD.(35) De gemeenschappelijke
kenmerken bestaan uit aantasting van specifieke aspecten van de visuele
en cognitieve functie.(36) Verondersteld wordt, dat tekorten aan vetzuren
bijdragen tot de ontwikkeling van dyslexie. Steeds meer onderzoeksresultaten
wijzen erop, dat het gebruik van supplementen van vetzuren kan leiden
tot verlichting van bepaalde aspecten van dyslexie.(37)
Gevolgen
van een tekort aan vetzuren
Tijdens een van de eerste studies naar ADHD ontdekten onderzoekers dr.
Michell en zijn collega’s dat er bij 44 kinderen met ADHD sprake
was van lagere niveaus van DGLA, arachidezuur en DHA in het bloed, in
vergelijking tot een controlegroep van 45 kinderen van dezelfde leeftijd
en sekse.(38) Michell ontdekte ook dat, in vergelijking met een controlegroep,
een beduidend groter aantal van 48 kinderen met ADHD werd gekweld door
polydipsia – chronische dorst en ook fysieke klachten, leerproblemen
en een achterstand in taalontwikkeling had.
Meer recent hebben de resultaten van een studie aan Purdue University
bevestigd, dat er bij ADHD sprake is van een abnormale stofwisseling van
vetzuren. Een team onder leiding van L.J. Stevens(39) ontdekte duidelijke
verschillen tussen 53 jongens met ADHD en een controlegroep van 43 jongens.
Typerend voor de jongens met ADHD is, dat zij:
• in veel gevallen als baby geen borstvoeding hebben gekregen –
moedermelk bevat voorgevormde meervoudig onverzadigde vetzuren, zoals
arachidezuur en DHA, vetzuren die over het algemeen niet in flesvoeding
voorkomen.
• meer last hebben van allergieën en andere gezondheidsproblemen
– waarvan reeds bekend is dat ze verband houden met een tekort aan
essentiële vetzuren.
• klinische tekenen van tekorten aan essentiële vetzuren vertonen,
zoals excessieve dorst, frequent urineren, droge huid en haar en zachte
of broze nagels.
• lagere niveaus van bepaalde meervoudig onverzadigde vetzuren in
het bloed hebben, in het bijzonder van arachidezuur, EPA en DHA, maar
niet hun EFA precursors.
• via voeding voldoende van de EFA precursors binnenkregen.
De resultaten staven de hypothese dat abnormale niveaus van essentiële
vetzuren verband houden met de ontwikkeling van ADHD en dat de oorzaak
van het probleem moet worden gezocht bij de conversie van essentiële
vetzuren in meervoudig onverzadigde vetzuren. Bij ongeveer veertig procent
van de kinderen met ADHD was er sprake van een verhoogde frequentie van
klinische tekenen van een tekort aan vetzuren, terwijl hiervan bij slechts
negen procent van de kinderen uit een controlegroep het geval was.
Stevens en zijn team toonden ook aan, dat zowel klinische aanwijzingen
als biochemische tekenen van een tekort aan essentiële vetzuren in
het bloed in belangrijke mate verband hielden met de ernst van gedragsstoornissen,
evenals met leerproblemen en gezondheidsklachten.(40)
Een ander team(41) ontdekte dat het gemiddelde niveau van vrije vetzuren
in het bloed van 48 kinderen met ADHD beduidend lager was dan bij 45 kinderen
uit een controlegroep. Bovendien bleek er een belangrijk verband te bestaan
tussen het niveau van zink en dat van vrije vetzuren in het bloed.
De resultaten van enkele van de eerste
studies naar het gebruik van supplementen van GLA waren twijfelachtig
en leken niet erg bruikbaar.(42) De verklaring hiervoor is, zo veronderstellen
Richardson en Puri(43), dat een tekort aan omega-3 vetzuren een grotere
rol speelt bij ADHD dan een tekort aan omega-6 vetzuren en dat de studies
waarschijnlijk niet lang genoeg duurden om er duidelijke conclusies aan
te kunnen verbinden. De resultaten van recent onderzoek duiden erop, dat
het wel drie maanden kan duren, voordat niveaus van meervoudig onverzadigde
vetzuren in de hersenen zich normaliseren, nadat er langere tijd sprake
is geweest van een tekort.(44) In de toekomst dient hier bij onderzoek
rekening mee te worden gehouden.
In 1998 hebben de National Institutes of Health in Bethesda, Maryland,
een workshop over omega-3 vetzuren, essentiële vetzuren en psychische
stoornissen georganiseerd. J.R. Burgess van het team van Purdue University
presenteerde daar de voorlopige resultaten van een dubbelblind onderzoek
naar kinderen met ADHD met klinische tekenen van tekorten aan essentiële
vetzuren. Het onderzoeksteam had ontdekt, dat het gebruik van supplementen
van een combinatie van DHA, EPA, arachidezuur en DGLA – meer nog
dan omega-3 vetzuren – tot een positieve verandering van de profielen
van vetzuren in het bloed leidde en dat bepaalde symptomen van ADHD hierdoor
verdwenen.
Echter, de resultaten van een ander dubbelblind onderzoek dat R. Voight
presenteerde tijdens dezelfde workshop, vormden geen bewijs voor de voordelen
van het gebruik van supplementen van DHA. Richardson en Puri suggereren,
dat een van de verklaringen hiervoor zou kunnen luiden, dat DHA op zichzelf
ineffectief is en dat andere vetzuren, in het bijzonder EPA, verantwoordelijk
zouden kunnen zijn voor de positieve resultaten van de studie aan Purdue
University. Zij wijzen ook op verschillen wat betreft de selectie van
proefpersonen: voor de studie aan Purdue University werden kinderen met
eerdere indicaties van een tekort aan vetzuren geselecteerd, terwijl dit
niet gold voor de studie van dr. Voight. Om er zeker van te zijn dat uitsluitend
kinderen met een ‘zuivere’ diagnose van ADHD bij het onderzoek
waren betrokken, werden alle kinderen die nog andere afwijkingen vertoonden
van deelname uitgesloten.
Om het belang van EPA te kunnen achterhalen, is dr. Richardson momenteel
betrokken bij een studie naar de effecten van het product Eye Q bij kinderen
met ADHD.(45) Eye Q bevat EPA en DGLA, in een verhouding van vier tot
een.
Voeding
komt op de eerste plaats
Het werk van onderzoekers zoals dr. Richardson en dr. Neil Ward getuigt
onomstotelijk van twee hoofdoorzaken van de symptomen die verband houden
met ADHD. Er bestaat geen twijfel over, dat het bewijs voor de voordelen
van het gebruik van MPH op lange termijn uitermate schaars is. Ook is
het bekend, dat MPH ernstige bijwerkingen heeft en dat het gebruik van
dit middel door kinderen verband houdt met afhankelijkheid van stimulerende
middelen op volwassen leeftijd.(46)
Het lijkt
verstandig om bij elk kind dat vermoedelijk ADHD heeft, na te gaan of
er sprake is van belangrijke tekorten aan voedingsstoffen en vergiftiging
door zware metalen. Na behandeling hiervan is het van belang om af te
wachten of er verbetering optreedt, alvorens wordt overgegaan tot het
gebruik van zware medicatie als MPH. Laten de voorstanders van het gebruik
van dit middel zich het eerste bevel van Hippocrates herinneren: ‘In
de eerste plaats, gebruik geen geweld…’ Hij zou eraan kunnen
hebben toegevoegd: ‘…tegen kinderen.’
Simon
Best
U kunt contact opnemen met Simon Best via e-mail:
1. Crit Pub Health, 2000; 10: 453-62
2. Crit Pub Health, ibid
3. Crit Pub Health, 2000; 10: 81-6
4. Crit Pub Health, ibid
5. Jensen PS et al, unpublished paper, Walter Reed Army Institute of Research,
Washington, 1989; Pediatrics, 1989; 86: 184-92; BMJ, 1998; 314: 1594-5
6. NIH, Rockville, 1998; for the full report, zie www.odp.od.nih.gov/consenus
7. Arch Gen Psychiatry, 1999; 56: 1073-86
8. Maine: Common Courage Press, 1998; www.breggin.com
9. NICE, Technology Guidance no. 13; 2000: zie www.nice.org.uk
10. Ethical Hum Sci Serv, 1999; 1: 13-33
11. Med Hypoth, 1981; 7: 673-9
12. Am J Nurs, 1975; 75: 797-803; Why Your Child is Hyperactive, NY: Random
House, 1975
13. Prost Leukotr Essent Fatty Acids, 2000 ; 63: 1-9
14. Physiology Laboratory, Oxford
15. Prost Leukotr Essent Fatty Acids, 2000 ; 63 : 79-87
16. Crawford MA, in Bazan NG, ed, Neurobiology of Essential Fatty Acids,
NY: Plenum, 1992: 307-14
17. J Lipid Res, 1987; 28: 144-51; Ann Rev Nutr, 1988; 8: 517-41; J Nutr,
1989; 119: 1880-91
18. J Pediatr, 1994; 125: S39-47; Proc Natl Acad Sci USA, 1986; 83: 4021-5
19. The Lancet, 1995; 345: 1463-8
20. J child Psychol Psychiatry, 1989; 30: 219-30
21. Biochem Arch, 1990; 6: 47-54
22. Am J Clin Nutr, 2000; 71 [Suppl 1]: 3235-65; Prost Leukotr Essent
Fatty Acids, 2000 ; 63 : 1-9
23. Pediatrics, 1974; 53: 742-7
24. J Nutr, 1996; 126: 603-10
25. Am J Orthopsychiatry, 1985; 55: 190-210
26. Ann Neurol, 1988; 24: 325
27. Med Hypoth, 1998; 50: 139-45
28. Child Psychol Psychiatry, 1989; 30: 219-30
29. Nutrition, 1998; 14: 627-33
30. Child Psychol Psychiatry, 1989; 30: 219-30
31. The Lancet, 1998; 351: 1213; Biol Psychiatry, 1998; 43: 315-9
32. Arch Gen Psychiatry, 1999; 56: 407-12
33. Arch Neurol, 1978; 42: 228-31
34. Prost Leukotr Essent Fatty Acids, 1996; 55: 83-7
35. J Learn Disabil, 1991; 24: 96-103
36. Conners CK, in Ravlidis G, ed, Perspectives on Dyslexia, vol 1, Chichester:
John Wiley & Sons, 1990; 163-95
37. Am J Clin Nutr, 2000; 71 [Suppl 1]: 3235-65
38. Clin Pediatr, 1987; 26: 406-11
39. Am J Clin Nutr, 1995; 62: 761-8
40. Physiol Behav, 1996; 59: 915-20
41. J Chil Psychol Psychiatry, 1996; 37: 225-7
42. Biol Psychiatry, 1989; 25: 222-8
43. Prost Leukotr Essent Fatty Acids, 2000 ; 63: 1-9
44. Prost Leukotr Essent Fatty Acids, 1993; 4: 171-80
45. www.equazen.com
46. J Learn Disabil, 1998; 31: 533-44
Het stellen van de diagnose
Volgens het Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders(1) van
de American Psychiatric Association wordt ADHD gekenmerkt door onoplettendheid,
hyperactiviteit en impulsiviteit. In de tiende herziene editie van de
International Classification of Disease(2) wordt ADHD als hyperkinetische
afwijking geclassificeerd.
Er zijn drie subtypen van ADHD: het gecombineerde type, met tekenen van
onoplettendheid en hyperactiviteit/impulsiviteit; het type waarbij onoplettendheid
overheerst en een type waarbij hyperactiviteit/impulsiviteit overheerst.
De diagnostische criteria houden eveneens in, dat:
• er gedurende ten minste zes maanden sprake is van symptomen van
ADHD, in een dusdanig ernstige mate dat de ontwikkeling van het kind wordt
verstoord.
• er duidelijk bewijs moet zijn van klinisch significante belemmering
van het sociaal functioneren en leerkundige ontwikkeling.
• er sprake is van beperkte ontwikkeling op twee of meer gebieden
– over het algemeen thuis en op school.
• er reeds voor de leeftijd van zeven jaar sprake was van klachten.
• er niet uitsluitend sprake is van symptomen die verband houden
met een ingrijpende ontwikkelingsstoornis en dat symptomen niet in hoofdzaak
kunnen worden toegeschreven aan mentale stoornissen, zoals angst en depressie.
Soms krijgen ouders van een arts te horen dat hun kind een hyperkinetische
stoornis heeft. Feitelijk lijkt deze stoornis veel op ADHD, met dit verschil
dat er in gelijke mate sprake is van de drie primaire symptomen, te weten
onoplettendheid, hyperactiviteit en impulsiviteit. En dat deze symptomen
zich al voor de leeftijd van zeven jaar openbaren, op twee of meer gebieden
een ingrijpende invloed op het kind hebben en zijn ontwikkeling verstoren.
Een hyperkinetische stoornis komt in grote mate overeen met het gecombineerde
type van ADHD.
1. 4th
edition, 1994
2. WIO, Geneva, 1992
Is ADHD bedacht om Ritalin te kunnen verkopen?
Novartis, de maker van Ritalin, en de American Psychiatric Association
(APA) worden ervan verdacht te hebben samengespannen om een markt voor
het medicijn te creëren. Op grond van deze verdenking zijn zowel
in Californië als in New Jersey rechtszaken tegen beide organisaties
aangespannen. Deze rechtzaken volgen op een proces dat het advocatenkantoor
Walter & Kraus in mei vorig jaar in Texas heeft aangespannen, dat
het volgende ten laste legde: ‘Ciba/Novartis heeft plannen gemaakt,
samengespannen en een complot gesmeed, met als inzet de creatie, ontwikkeling
en promotie van de diagnose van Attention-Deficit Disorder (ADD) en Attention-Deficit
Hyperactivity Disorder (ADHD), in een uitermate succesvolle poging om
de markt voor hun product Ritalin te vergroten.’ Tevens werd de
American Psychiatric Association (APA) ervan verdacht ‘te hebben
samengezworen en samengewerkt met de andere verdachten en daarvoor financiële
bijdragen te hebben aangenomen van Ciba en van andere personen die werkzaam
zijn in de farmaceutische industrie…’
Mr. Richard Scruggs, een van de advocaten in dit proces, zei dat de verdachten
‘een nieuwe ziekte hadden uitgedacht, en dat er aan de slachtoffers
buitensporig veel medicijnen zijn voorgeschreven, waardoor zij aan grote
risico’s zijn blootgesteld.’(1)
De verklaring die de APA in juli heeft gegeven, luidde als volgt: ‘De
aantijging dat de APA met anderen zou hebben gecomplotteerd om de diagnose
van ADD en ADHD te ontwikkelen, als onderdeel van het Diagnostic and Statistical
Manual, opdat medicijnen voor de behandeling van deze stoornissen zouden
worden voorgeschreven, is belachelijk en volstrekt onjuist. De APA zal
zichzelf met hand en tand verdedigen door een berg wetenschappelijke bewijzen
te presenteren om deze uit de lucht gegrepen aantijgingen te weerleggen
en wij hebben er alle vertrouwen in, dat het recht zal zegevieren.’
De Amerikaanse hulporganisatie CHADD, een afkorting voor Children and
Adults with Attention-Deficit Disorder/Hyperactivity Disorder, die overtuigd
voorstander is van het gebruik van Ritalin en financieel wordt gesteund
door farmaceutische bedrijven, is ook bij het proces betrokken. Voor meer
details, zie www.ritalinfraud.com
1. BMJ,
2000; 321: 723
De rol van zink en vergiftiging door zware metalen
Het werk van wetenschappers als dr. Neil Ward van het Chemistry Department,
University of Surrey, en adviseur van HACSG, benadrukt dat de ernst van
ADHD bij kinderen voor een groot deel wordt bepaald door het niveau van
zink in het bloed, evenals de mate waarin het lichaam wordt belast door
kunstmatige toevoegingen aan voedsel en door zware metalen, zoals lood,
cadmium en kwik.
Aangetoond is, dat een tekort aan zink hyperactiviteit veroorzaakt bij
ratten(1) en dat additieven, zoals tartrazine (E102),
een van de vijftien azo kleurstoffen (die in de lever goed- en kwaadaardige
tumoren kunnen veroorzaken) die zijn toegestaan voor voedsel, bij sommige
kinderen hyperactief gedrag kunnen opwekken.(2) Een dubbelblinde, placebogecontroleerde
studie naar hyperactieve kinderen, uitgevoerd door een onderzoeksteam
onder leiding van dr. Neil Ward, heeft uitgewezen, dat tartrazine verantwoordelijk
is voor verlaging van de niveaus van zink in bloed en speeksel, terwijl
het zinkgehalte in de urine toeneemt.(3) Deze veranderingen hielden verband
met achteruitgang van zowel het gedrag als de emotionele expressie van
de bestudeerde kinderen.
Naar aanleiding van een vervolgstudie naar kinderen met hyperactiviteit,
bevestigde dr. Ward dat die vergeleken met een controlegroep aanmerkelijk
lagere niveaus van zink en ijzer hadden in het bloed, de urine en gewassen
hoofdhaar.(4) Bij hyperactieve kinderen, waarvan bekend is dat zij op
synthetische kleurstoffen reageren, was er sprake van een aanzienlijke
verlaging van de niveaus van zink in het bloed en van een toename van
het zinkgehalte in de urine in reactie op de inname van tartrazine of
sunset yellow (E119). Veel hyperactieve kinderen ondervonden ook nadeel
van hoge niveaus van aluminium, cadmium en/of lood in hun urine of haar.
Verhoogde aluminiumniveaus worden in verband gebracht met antisociaal
gedrag van kinderen(5), terwijl cadmium een negatief effect heeft op de
stofwisseling in de hersenen, gekenmerkt door onderdrukking van niveaus
van epinephrine, serotonine en acetylcholine.(6)
Uit proeven met jonge apen is gebleken, dat verlies van slechts een kleine
hoeveelheid zink negatieve gevolgen kan hebben voor de visuele attentie
en het korte termijn geheugen, ook al lijkt er geen sprake van een tekort
aan zink of vertraging van de groei.(7) Een tekort aan zink kan de oorzaak
zijn van overactiviteit van de bijnieren(8), terwijl disfunctie van de
sympathicus en de dopaminereceptie een rol blijkt te spelen bij de ontwikkeling
van ADHD.(9) Deze stoornis zou ook verband kunnen houden met een verminderde
afscheiding van melatonine(10), die op haar beurt kan leiden tot reductie
van de afscheiding van serotonine, hetgeen verband houdt met agressief
gedrag.
Meer recent heeft dr. Ward bewijzen voor de voordelige effecten van voedingsstoffen
en sporenelementen verzameld en samengevat ten behoeve van een studie
naar het gebruik van supplementen van deze stoffen door kinderen met ADHD.(11)
Bij de patiëntjes die ofwel sporenelementen, zoals zink, ijzer en
selenium, of essentiële vetzuren, of een combinatie van de twee kregen,
bleek het gebruik van zowel sporenelementen als vetzuren tot ‘opzienbarende
verbetering’ van niveaus in bloed en haar te leiden. In tien weken
tijd verminderden ook de gedragsproblemen aanmerkelijk.
Op grond van zijn laatste, nog niet gepubliceerde analyse van onderzoeksgegevens
is dr. Ward tot de conclusie gekomen, dat er bij vier kinderen met ADHD
die Ritalin gebruikten sprake was van een progressieve afname van het
zinkgehalte van het bloed gedurende een periode van twaalf maanden. Aangezien
zink van essentieel belang is voor meer dan honderd enzymen, evenals voor
de conversie van essentiële vetzuren in LC-PUFA’s, zijn het
behoud van een optimaal niveau van zink in het bloed en preventie van
schade door synthetische toevoegingen aan voedsel en zware metalen van
groot belang bij de behandeling van kinderen met ADHD.
1. Pediatr Res, 1975; 9: 94-7
2. Arch Gen Psychiatry, 1981; 38: 714-8; J Pediatr, 1994; 125: 691-8
3. J Nutr Med, 1990; 10: 415-31
4. J Nutr Environ Med, 1997; 7: 333-42
5. Biol Trace Elem Res, 1986; 11 : 5
6. Ward, 1990, op cit
7. Am J Clin Nutr, 1994 ; 60: 238-43
8. Physiol Behav, 1979 ; 22: 211-5
9. Synopsis of Psychiatry, 7th edition, Baltimore: Williams & Wilkins,
1994: 1063-8
10. Int J Neurosci, 1990; 52: 239-41
11. Nutr Pract, 2000; 2: 43-5
|